950 zettameter!
Het Virgosupercluster, ook wel het Lokale Supercluster genoemd, is een enorme, afgeplatte verzameling groepen en clusters van sterrenstelsels, met het Virgocluster in het midden. De Lokale Groep, waartoe de Melkweg behoort, ligt dicht bij een van de randen van het supercluster. Het supercluster is ruwweg 100 miljoen lichtjaar breed. Een lichtjaar is de afstand die licht in één jaar aflegt, ongeveer 9,46 biljoen kilometer.
Een supercluster heeft geen scherpe grens, en zelfs het woord “supercluster” heeft geen exacte definitie, dus elke grootte die ervoor wordt genoemd is bij benadering. NASA geeft het Lokale Supercluster een breedte van ruwweg 100 miljoen lichtjaar. NASA stelt de massa van het supercluster op ongeveer 1015 keer de massa van de Zon, een 1 gevolgd door 15 nullen.
Die breedte past bij de opbouw van het supercluster. Het Virgocluster in het midden ligt op ongeveer 54 miljoen lichtjaar van de Aarde, en de Lokale Groep ligt dicht bij één rand. Een supercluster met het Virgocluster als middelpunt dat tot aan de Lokale Groep reikt, is dus ongeveer twee keer die afstand breed.
Het supercluster is ook plat. In 1982 vond de astronoom R. Brent Tully dat ongeveer 60% van de heldere sterrenstelsels in een dunne schijf ligt, en de rest in een klein aantal wolken buiten de schijf. De schijf is ongeveer zes keer zo lang als dik, en het grootste deel van de ruimte boven en onder de schijf bevat bijna geen heldere sterrenstelsels.
Sinds William en John Herschel de eerste grote catalogi van nevels maakten, weten astronomen dat zwakke, vage objecten dicht opeen staan in een brede band aan de noordelijke hemel rond het sterrenbeeld Maagd. Veel van die objecten bleken sterrenstelsels te zijn. In de jaren vijftig betoogde de astronoom de Vaucouleurs dat de band een echte structuur in de ruimte was, geen toevallige rij. Hij noemde de structuur eerst het “Supersterrenstelsel” en hernoemde die later tot het Lokale Supercluster.
Astronomen debatteerden tientallen jaren over de vraag of de structuur echt was. Onderzoeken naar de snelheden waarmee duizenden nabije sterrenstelsels zich van de Aarde af bewegen, beslechtten de kwestie in het begin van de jaren tachtig. Die snelheden verraden bij benadering de afstand van elk sterrenstelsel, en ze lieten zien dat de sterrenstelsels echt in een afgeplatte structuur liggen.
In 2014 bracht Tully met drie collega's in kaart hoe sterrenstelsels bewegen, na aftrek van de uitdijing van het heelal. Ze definieerden een supercluster als het gebied waarbinnen sterrenstelsels naar dezelfde plek stromen. Volgens die definitie hoort de Melkweg thuis in het Laniakeasupercluster. De naam betekent in het Hawaïaans “immense hemel”. Laniakea omvat het Lokale Supercluster zoals dat eerder werd gedefinieerd, en de sterrenstelsels van Laniakea stromen naar een gebied in de buurt van de clusters Norma en Centaurus, dat de Grote Aantrekker heet.